Bij de Javanen in Coronie: “Hier pinaart niemand”
Met een oppervlakte van bijna 4000 vierkante kilometer is Coronie, na Paramaribo, het kleinste district van Suriname. Het staat bekend om haar artisanale kokosolie en bijenteelt, en wordt daarom ook wel het ‘land van melk en honing’ genoemd. Het district heeft een geschiedenis doordrenkt van slavernijverleden, met oude suiker- en katoenplantages, koloniale, vervallen gebouwen en een bevolking die bestaat uit creolen, afstammelingen van tot slaafgemaakten. Maar onder de ruim drieduizend bewoners bevindt zich ook een kleine gemeenschap Javanen, met roots in het huidige Indonesië. Zij hebben zich gevestigd in het gebied dat bekendstaat als Soemboredjo.
Tekst: Phylicia Ooiberg Beeld: Michael Nanden
Als we ‘Winkel Judith’ binnenstappen, lijkt het alsof we in een tijdcapsule zijn beland. Het is de enige winkel in de woonwijk Soemboredjo, ongeveer 2 tot 10 minuten verwijderd van de hoofdweg en staat op het midden van het erf, waar ook een manjaboom en een hutje staan met een zinkplaten dak. Er staat een houten bankje voor de winkel en er hangen oude foto’s van familieleden aan de muur. In plastic Chupa Chup-flessen zitten verschillende snoepsoorten. Eigenares Judith Doelcamarsidi is inmiddels 60 jaar, maar bevindt zich nog elke dag in de winkel, alhoewel het nu moeilijk concurreren is met de nieuwe Chinese supermarkten die doorheen de jaren langs de hoofdweg zijn gebouwd. “De mensen gaan liever naar voor, want het aanbod is er groter, maar ik ben al tevreden met wat ik heb”, zegt ze met een glimlach.
Doelcamarsidi heeft de winkel van haar vader overgenomen, vertelt ze van achter de toonbank. Haar ouderlijk huis is boven de winkel gebouwd. Zij vertelt ons dat vele Javaanse gezinnen, net als van haar, rijst op het achtererf verbouwden. De grootte van de percelen lenen zich daarvoor, waardoor de gezinnen geld kunnen verdienen, maar ook zelfvoorzienend kunnen zijn. “Met de hand gebeurde dat. Ik kan me nog heugen toen ik klein was, mijn moeder had mij op haar rug gebonden met de slendang. De kinderen werden in een hutje geplaatst, net hier onder die manjaboom, terwijl de ouders werkten. Ze namen eten mee en wij keerden pas om 6 uur terug naar huis”, herinnert ze zich over de tijd toen er in Coronie op grote schaal rijst werd verbouwd.
Alesi gron
De ouders van Hendrik Hardjodikromo, die in Coronie wordt aangesproken als ‘meneer Sedjo’, woonden in Nickerie, maar verhuisden naar Coronie voor een beter bestaan. Ze vestigde zich samen met vele andere Javanen aan de Noordpolder, wat bekend stond als alesi gron. De meeste Javanen leefden van landbouw en tuinbouw, vertelt Hardjodikromo. “Een paar werkten bij de overheid, inclusief ikzelf.” Hardjodikromo (79) werd in 1946 geboren in Coronie en werkt al zolang hij zich kan herinneren. Op zijn 13e begon hij te werken als tuinjongen op het districtscommissariaat. Op zijn 18e behaalde hij zijn rijbewijs en heeft tot aan zijn ontslag, als chauffeur gediend onder verschillende Districtscommissarissen. Daarnaast runde hij jarenlang een rijstbouwcoöperatie met zijn buurman, tevens goede vriend, en zes anderen. Doordat de zee steeds meer landinwaarts trok, waren ze genoodzaakt te verhuizen naar wat nu Soemboredjo is, vertelt hij. “We kregen een stuk grond van de overheid om te wonen. Anderen kregen twee hectare grond om aan landbouw te doen. Maar ook de woonpercelen waren groot genoeg om achter het huis rijst en andere producten te planten”, zegt hij. Na de jaren ’80 kapte de overheid grote stukken bos open van Burmside tot Ingi Kondré. “Wie aan grootschalige landbouw wilde doen kreeg tussen de twintig en vijftig hectare grond. Daar verbouwden wij rijst tot ongeveer 1997”, vertelt Hardjodikromo.
Het volledig artikel lezen? Dit staat in het 233-nummer (2026.1) van Parbode, verkrijgbaar in de winkel (in Suriname). Wilt u digitaal verder lezen? Kijk dan op www.parbode.com/abonneren




