China blijft grootste afnemer van Surinaams rondhout
De Surinaamse houtsector lijkt na de explosieve piekjaren van 2017 tot en met 2019 definitief in rustiger vaarwater terecht te zijn gekomen. Uit de nieuwste bosbouwstatistieken van de Stichting voor Bosbeheer en Bostoezicht (SBB) blijkt dat de totale rondhoutproductie in 2025 op 432.337 kubieke meter uitkwam. Dat is iets lager dan in 2024 en fors minder dan de meer dan één miljoen kubieke meter die tijdens de hoogtijdagen van de sector werd geproduceerd. Hoewel de sector dus nog steeds actief is, tonen de cijfers een duidelijke ‘afkoeling’.
In de jaren negentig schommelde de jaarlijkse rondhoutproductie meestal tussen de 90.000 en 200.000 kubieke meter. Vanaf 2010 begon de sector sterk te groeien. In 2017 werd voor het eerst meer dan 850.000 kubieke meter geproduceerd, gevolgd door recordjaren in 2018 en 2019 met ruim één miljoen kubieke meter houtproductie. Daarna zette echter een forse daling in. In 2020 halveerde de productie bijna onmiddellijk naar ongeveer 524.000 kubieke meter. Sindsdien blijft de sector hangen rond de 430.000 tot 620.000 kubieke meter per jaar. Ook in 2025 zet die neerwaartse trend zich voort.
De houtproductie komt veruit het meest uit Sipaliwini. Dat district was in 2025 goed voor bijna 292.000 kubieke meter rondhout, ongeveer tweederde van de totale nationale productie. Daarna volgen Brokopondo en Para met elk ongeveer 64.000 kubieke meter. In andere districten bleef de productie beperkt of nihil. Het beeld bevestigt opnieuw dat de economische houtwinning zich vrijwel volledig concentreert in het binnenland van Suriname, waar de grootste concessiegebieden liggen.
Ook de structuur van de sector valt op. Het overgrote deel van de productie (meer dan 360.000 kubieke meter) kwam uit concessiegebieden. Gemeenschapsbossen leverden ruim 42.000 kubieke meter op. Daarmee blijft de discussie actueel over de vraag wie het meest profiteert van de exploitatie van Surinames bossen: grote houtbedrijven of lokale gemeenschappen.
Binnen de houtsector blijft basralocus veruit de belangrijkste commerciële houtsoort. In 2025 werd ruim 123.000 kubieke meter basralocus geproduceerd. Daarmee blijft deze soort de absolute ruggengraat van de Surinaamse houtindustrie. Andere belangrijke soorten zijn gronfolo, kopi, wana en maka-kabbes. Sommige traditionele exportsoorten zoals purperhart en groenhart vertonen juist een dalende trend vergeleken met eerdere jaren.
De exportcijfers laten zien hoe afhankelijk Suriname is geworden van de Aziatische markt. Van de totale houtexport van ruim 248.000 kubieke meter ging maar liefst 92 procent naar Azië. China blijft de grootste afnemer van Surinaams hout. Alleen al naar dat land werd meer dan 109.000 kubieke meter geëxporteerd, goed voor ruim 24 miljoen US-dollar. Ook India, Vietnam en Singapore zijn belangrijke markten.
Europa speelt inmiddels nog maar een relatief kleine rol. Het continent vertegenwoordigde slechts 2 procent van het exportvolume. Dat is een opvallende verschuiving ten opzichte van enkele decennia geleden, toen Europese landen belangrijke afnemers waren van Surinaams tropisch hardhout. De strengere Europese duurzaamheidseisen hebben de export richting Europa bemoeilijkt, terwijl Aziatische markten minder restrictief zijn gebleven.
Een terugkerende kritiek op de Surinaamse houtsector is dat het land nog steeds vooral ruwe boomstammen exporteert, in plaats van afgewerkte producten met hogere toegevoegde waarde. Ook de cijfers van 2025 bevestigen dat beeld. Van de totale export bestond het grootste deel uit rondhout. Gezaagd hout en afgewerkte producten vormen nog steeds een kleiner aandeel.
Hoewel Suriname wel een eigen houtverwerkende industrie heeft, blijft die relatief beperkt. De geschatte productie van gezaagd hout bedroeg in 2025 ongeveer 86.000 kubieke meter, terwijl de triplexproductie slechts 1.500 kubieke meter bedroeg. Deskundigen wijzen er al jaren op dat meer lokale verwerking niet alleen extra inkomsten zou opleveren, maar ook werkgelegenheid en technologische ontwikkeling kan stimuleren.
De cijfers uit het SBB-rapport tonen uiteindelijk een sector die op een kruispunt staat. Enerzijds blijft hout een belangrijke exportbron voor Suriname. Anderzijds groeit internationaal de druk om bossen beter te beschermen en ontbossing tegen te gaan. Suriname profileert zich internationaal graag als een van de groenste landen ter wereld, met ruim 93 procent bosbedekking. Maar die positie brengt ook moeilijke keuzes met zich mee. Hoeveel economische exploitatie kan het bos verdragen? Voorlopig lijkt de houtsector zich in een fase van consolidatie te bevinden: kleiner dan tijdens de piekjaren, maar nog steeds economisch relevant. De komende jaren zullen uitwijzen of Suriname kiest voor verdere industrialisering van de sector, strengere bescherming van het bos, of een evenwicht tussen beide… carbon-credits zijn immers ‘the talk of the town’.





