Column: Twee werelden
Er zijn twee tenten. Okay, er zijn drie tenten, maar twee tenten die er in deze column toe doen. In de ene tent – hall 2 – zitten de delegates, de afgevaardigden die 1000 Amerikaanse dollar (en meer) betalen om in de zaal te zitten. Aan de overkant, in hall 3, zitten de peeps – zo noem ik het gewone volk maar even. De peeps van hall 3 zijn niet welkom in hall 2, omgekeerd wel.
Door: Zoë Deceuninck
Met mijn perspas kan ik schipperen tussen de twee tenten. En zo stap ik van de ene wereld in de andere. Onderweg valt me iets op.
In hall 3 wordt een poll gehouden onder de aanwezigen van het Local Content Forum, een kleine, open ruimte met 80 stoelen waar je met een koptelefoon naar het panel moet luisteren, omdat het geroezemoes van de grote zaal anders het gesprek verstoort. De vraag in de eerste poll is: zijn lokale bedrijven klaar om mee te bieden naar grote offshore-oliecontracten? 92 procent zegt van niet. De andere poll gaat over de uitdagingen. Wat is de grootste uitdaging bij het opleiden van Surinaams talent voor de offshore-industrie? De helft (50 procent) antwoordt: gebrek aan technische opleidingsprogramma’s. Het panel is het er niet mee eens, niet het gebrek aan programma’s en trainingen, maar het gebrek aan kennis over de bestaande initiatieven schiet tekort.
De beloftes worden in hall 2 gedaan. Hier wordt gestrooid met cijfers en enthousiasme. ‘Het valt wel mee met de capaciteit van Suriname.’ Er zijn niet veel landen waarbij twee jaar vóór de eerste olieproductie van het eerste grote offshoreproject alles al geregeld is, wordt gesust. TotalEnergies zal tegen het eind van dit jaar zo’n 300 miljoen US-dollar in het land hebben uitgegeven. Er is meer dan een half miljard dollar toegezegd aan lokale aannemers. Er werken al meer dan 1000 mensen uit Suriname in de sector. “Suriname mag trots zijn. Iedereen is onder de indruk”, zegt Artur Nunes da Silva, directeur van TotalEnergies in Suriname, tegenover de delegates – de investeerders.
In hall 3 zegt Hercules Medeiros, Field Operations Manager van TotalEnergies, tegenover de peeps dat Surinaamse bedrijven meedoen met aanbestedingen zonder goed te begrijpen wat de vereisten zijn. “Ze zijn zich niet bewust van de omvang van de werkzaamheden.” In een ander panel merkt Dimitri Lemmer, lid van het Local Content Board van de overheid, op: “Jongeren staan niet per definitie te springen om in de olie- en gassector te werken.” Ze willen gewoon een baan met zekerheid en een goed salaris. De ICT-sector levert die ook.
De overheid, met president Simons voorop, belooft steeds opnieuw dat elke Surinamer zal profiteren van de toekomstige oliedollars. Dat is een gevaarlijke en misplaatste belofte. Het schept verwachtingen die het nooit zal waarmaken. Hosselaars die geen belastingen betalen, huismoeders die geen Engels praten en jongeren die geen middelbaar diploma hebben, komen nu al nauwelijks in aanmerking voor een baan, laat staan eentje in de veeleisende internationale olie-industrie. In gesprek met de peeps, die het wel allemaal geweldig vinden, blijkt al snel dat ze niet verwachten dat ze er ook van zullen profiteren. Ze geloven niet dat ze de kans krijgen.
Er is een reden dat ze niet binnen mogen in hall 2.




