Gronduitgifte blijft onrechtmatig: wie wordt verantwoordelijk gehouden?
Zeven jaar nadat de Rekenkamer van Suriname ernstige tekortkomingen aan het licht bracht in het proces van gronduitgifte, blijkt er weinig veranderd. Het nieuwste rapport over het dienstjaar 2023 concludeert dat de uitgifte van domeingronden door het Ministerie van Grondbeleid en Bosbeheer (GBB) nog steeds niet rechtmatig verloopt. Daarmee blijft de perceptie van rechtsongelijkheid in de Surinaamse samenleving onverminderd bestaan. In 2018 stelde de Rekenkamer al vast dat het toenmalige ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer (ROGB) wettelijke voorschriften negeerde.
Zeven jaar later komt de Rekenkamer tot dezelfde conclusie. Ondanks eerdere aanbevelingen, blijkt het ministerie nog altijd niet te voldoen aan fundamentele vereisten uit het Decreet Beginselen Grondbeleid en het Decreet Uitgifte Domeingrond. Het onderzoek, uitgevoerd tussen april en oktober 2024, toont aan dat het ministerie geen sluitende administratie voert. Dossiers van grondaanvragen zijn vaak onvolledig, bevatten dubbele registratienummers of ontbreken zelfs helemaal. Ook de archivering van afgehandelde documenten is gebrekkig.
Bij de Dienst der Domeinen bestaat wel een digitaal systeem – het Grondregistratie en Informatie Systeem – maar de toegang is beperkt tot enkele medewerkers en wordt niet uniform gebruikt. Hierdoor blijft het risico bestaan dat meerdere toewijzingen aan dezelfde persoon worden gedaan, iets wat wettelijk verboden is. Opvallend is dat ook de wettelijke publicatieplicht grotendeels wordt genegeerd. Vrijdomeinen worden niet openbaar gemaakt en aanvragen worden niet gepubliceerd in het Advertentieblad van de Republiek Suriname. Hoewel de Anti-corruptiewet publicatie via sociale media toestaat, blijkt dat ook die bepaling niet correct wordt toegepast.
De Rekenkamer uit scherpe kritiek op het uitblijven van structurele verbeteringen. Aanbevelingen uit 2018, zoals het oprichten van een grondkamer, het instellen van een werkgroep om achterstanden weg te werken en het opstellen van duidelijke criteria voor spoed- en concurrente aanvragen, zijn niet uitgevoerd. “De aanbevelingen zijn grotendeels dode letter gebleven,” stelt de Rekenkamer.
Het ministerie heeft volgens de Rekenkamer onvoldoende gedaan om de wettelijke voorschriften te implementeren. In een reactie op het conceptrapport erkent het ministerie ‘manco’s in de interne beheersing’, maar wijst het ook op capaciteitsproblemen en de noodzaak van digitalisering. De Rekenkamer benadrukt dat haar bevindingen de publieke perceptie van rechtsongelijkheid niet helpen verbeteren. “De onduidelijkheid en speculaties over wie grond krijgt en waarom, kunnen met dit rapport niet worden weggenomen.”
Voormalig minister van GBB, Dinotha Vorswijk, heeft inmiddels publiekelijk gereageerd op het rapport van de Rekenkamer. Zij zegt het finale rapport nog niet ontvangen te hebben. “Het ministerie heeft wel gereageerd op het conceptrapport”, benadrukt zij, “maar tot op heden hebben wij daarop geen reactie teruggekregen van de Rekenkamer.” De Rekenkamer meent in ieder onderzoek het ministerie te confronteren met de bevindingen. Die reactie is ook in het rapport verwerkt.
Vorswijk lijkt geen aanstoot te nemen aan de bevindingen. Zij acht vooruitgang in de processen al voldoende om te rechtvaardigen dat gronduitgifte onrechtmatig heeft plaatsgevonden: “In 2018 is al een soortgelijk onderzoek gedaan. De bevindingen waren toen veel erger, maar vanuit de politiek en de samenleving kwam er geen enkele reactie”, aldus de oud-minister. Volgens haar zijn er tijdens haar ambtsperiode wel degelijk verbeteringen doorgevoerd binnen het ministerie, “ook al is dat misschien niet allemaal zichtbaar in dit rapport.”
Vorswijk verwijst naar gebrek aan capaciteit, waardoor niet voldaan kan worden aan de publicatieplicht. Er moet volgens haar geïnvesteerd worden in dit deel van het ministerie. “Maar als dat niet in orde is, en er wordt niet geïnvesteerd, wie dan ook daar zal zitten, geloof me, het zal nooit lukken om volledig te voldoen aan de publicatieplicht.” Al bij de aanvraag van een stuk grond, zou het ministerie wettelijk moeten publiceren wie, waar heeft aangevraagd.


