Leven na de gevangenis: ‘We dealden cocaïne en hasj’
A.H. werd op 22-jarige leeftijd veroordeeld voor drugshandel. Hij zat twee jaar in de cel. Eenmaal vrijgekomen, had hij nog jarenlang last van de gevolgen. “Je komt buiten en mensen kijken je aan alsof je nog steeds schuldig bent”, vertelt hij. Maatschappelijk werkers en organisaties doen wat ze kunnen om ex-gedetineerden te begeleiden, maar zonder voldoende middelen blijft het dweilen met de kraan open.
Tekst Jeffe Lingier
Een tweede kans betekent niet altijd een nieuwe start. A.H., een 38-jarige ex-gedetineerde, kwam op jonge leeftijd vanuit een arm gezin in het binnenland naar Paramaribo op zoek naar een beter leven. “Ik kende bijna niemand en had geen geld. De stad was overweldigend. Je ziet mensen met dure auto’s en gouden kettingen en je denkt: ‘Dat wil ik ook’.” Hij belandde al snel in de drugshandel. “Vrienden van me begonnen met dealen en vertelden me dat het makkelijk geld was. Eerst hield ik me alleen bezig met klusjes, maar voor ik het wist, was ik onderdeel van iets groters. We dealden cocaïne en hasj op bekende straathoeken in de stad. Ik wist dat het gevaarlijk was, maar ik dacht alleen aan het snelle geld.” Op 22-jarige leeftijd werd hij opgepakt. “De anderen zagen de politie aankomen en renden weg. Ik was de enige die achterbleef met de drugs. Ik kon niemand verraden, want in dat milieu betekent dat problemen. Dus ik hield mijn mond en nam de straf.”
Onmenselijk
De gevangeniservaring in Santo Boma noemt hij onmenselijk. “Na de eerste dag besloot ik dat ik er nooit meer wilde belanden. Je wordt vanaf dag één getest. De sterke gedetineerden bepalen de regels. Je moet taken uitvoeren voor hen, sigaretten regelen, spullen van buiten naar binnen smokkelen. Als je weigert, krijg je klappen.” Cipiers of politie-agenten kwamen zelden tussenbeide, alleen als iemand zwaar toegetakeld werd, getuigt A.H. Ook psychologische hulp was niet beschikbaar. “De enige steun die we kregen, was van religieuze groepen. Mijn vader bracht me een Bijbel en zei: ‘Dit is de enige manier om je hoofd recht te houden’. Ik wist dat hij teleurgesteld in mij was, maar ik begon elke dag te lezen en te bidden. Het geloof hield me overeind, maar ik merkte dat ik behoefte had, én heb, aan enige vorm van ondersteuning, of op zijn minst een gesprek. Ik draag dat trauma nog steeds met me mee.”
Chanifa Verdies (34) werkte zo’n 2,5 jaar als maatschappelijk werkster bij de Justitiële Kinderbescherming (JKB), een afdeling die jeugdige gedetineerden in de gevangenis van Santa Boma begeleidt. Daar stond ze in voor zowel de begeleiding van jongeren tijdens hun detentie als de nazorg na hun vrijlating. Volgens haar is nazorg cruciaal, maar wordt hier nauwelijks in geïnvesteerd.
Lees dit artikel verder in het juni/juli-dubbelnummer 229 van Parbode, verkrijgbaar in de winkel (in Suriname)
Wilt u digitaal verder lezen? Kijk op www.parbode.com/abonneren





