Maak kennis met de talentvolle componiste Majoie Hajary
In Een Surinaamse Rapsodie schetst schrijfster en onderzoekster Ellen de Vries aan de hand van zeven muziekstukken het verloop van de carrière van Majoie Hajary. Hoe kan het dat een talentvolle pianiste en componiste met de looks and likes van een filmster relatief onbekend bleef? Parbode publiceert exclusief een voorpublicatie uit het boek.
Tekst Ellen de Vries Beeld Sébastien Garros
Majoie Hajary (1921-2017) was de telg van een Hindostaanse vader en Afro-Chinese moeder. Het grootste deel van haar leven woonde ze buiten Suriname. Haar kosmopolitische leven weerspiegelt zich in haar muziek, waarin de klanken van Afrika, Azië en Suriname samensmelten met die van de klassieke muziek en jazz. Toch bleef ze relatief onbekend. Beschikte deze getalenteerde vrouw niet over de juiste netwerken en brak ze daarom nooit echt door? Of speelden de oorlog, haar afkomst en haar huwelijk met een oerconservatieve echtgenoot daarin een rol? De Vries zocht het uit. Hieronder een voorpublicatie uit het boek.
Tussenspel
‘Ik ben jammer genoeg nog niet dood, dus ik zou daar nu nog niet op kunnen antwoorden…,’ lachte de 50-jarige componiste Majoie Hajary fijntjes, toen presentator en landgenoot Benny Ooft voorzichtig informeerde of er zoiets bestond als een ‘eigen klassieke Surinaamse muziek’. Ooft vroeg eigenlijk of er wel waardering was voor de composities van zijn studiogast. Majoie Hajary was zeker niet levensmoe, maar achtte het een universeel gegeven dat een componist meestal pas erkenning krijgt als ie al onder de groene zoden ligt en zijn geest in het hiernamaals vertoeft. Met een Surinaamse tongval die meedeinde op haar Franse zinsmelodie verzekerde ze: ‘Ik geloof er natuurlijk in, anders zou ik het niet doen, weet u wel?’.
Zojuist teruggekeerd uit haar geboorteland Suriname interviewde Ooft haar voorjaar 1972 in Hilversum voor de Wereldomroep tijdens een tussenstop op doorreis naar haar woonplaats Neuilly-sur-Seine, een voorstad van Parijs. Het is een van de weinig bewaarde Nederlandse radio-interviews, daarom alleen al van onschatbare waarde, waarin ze op middelbare leeftijd de balans opmaakt van haar carrière. In Suriname, in haar geboortestad Paramaribo, had ze tijdens de Paasdagen zojuist de repetitie bijgewoond van de opvoering van een deel van haar opera Da Pinawiekie, Surinaams voor Lijdensweek: haar levenswerk. Ze hoopte het jaar daarop, in 1973, op ‘een grote uitvoering’ van het stuk, zoals ze het ‘werkelijk’ in gedachten had, deelde ze Ooft mee. Da Pinawiekie over de laatste dagen van Jezus Christus op aarde, was gebaseerd op het kerkibuku van haar geliefde oma Carootje: dochter van een slavin.
Tijdens het interview in Hilversum waren enkele fragmenten uit La Passion selon Judas, het Notre Père [‘Onze Vader’] te horen, zoals de radio-omroeper in zijn beste schoolfrans aankondigde. La Passion selon Judas, in het Surinaams Da tori fu Judas oftewel Het verhaal van Judas, was eigenlijk een soort ‘uittreksel’ van het oratorium, verklaarde Majoie. Dit was zeer recent door de platenmaatschappij Columbia Broadcasting System (CBS) op de plaat gezet in een Parijse studio. Majoies uiterst muzikale (aangetrouwde) familieleden van moederskant waren destijds ijlings vanuit Nederland naar Parijs afgereisd om in straf tempo de koor- en solopartijen in te zingen.
Uit hun kelen galmde nu het Wi Tata na hemel… [Surinaams voor ‘Onze Vader’ …] door de studio. Tussendoor schetterde en schitterde de trompet van Roger Guérin: winnaar van de prestigieuze Franse jazzprijs Prix Django Reinhardt, die ook voor het jazzy en funky arrangement tekende.
Het door bossen omrande gebouw van de Wereldomroep van waaruit het interview werd uitgezonden had vanuit de lucht gezien de vorm van een vliegtuig, rustend in een bed van frisgroen loof, klaar voor vertrek. Een architectonisch grapje dat de actieradius van de radiozender symboliseerde die via de ether de hele aardbol – ook Suriname – bestreek. Dolend door de gangen naar de opnamestudio zal het haar vast ontgaan zijn. Maar hoe symbolisch was dat wel niet? Vliegtuigen en vliegvelden doorkruisten haar levenspad. Haar fotoalbum was gevuld met de kiekjes van de airports die ze aandeed op weg naar haar pianoconcerten in het buitenland. Op die foto’s spat de beeldschone en superslanke Majoie Hajary van het beeld. Recensenten loofden haar virtuoos en eigenzinnig pianospel en stonden welwillend tegenover haar eerste composities. In Amsterdam behoorden Nelly Wagenaar en Willem Andriessen tot haar pianodocenten, in Parijs waren het onder anderen Nadia Boulanger en Louis Aubert geweest, – beiden leerlingen van de bekende Gabriël Fauré –, die haar de fijne kneepjes van het componeren bijbrachten.
Luchthavens maakten niet in de laatste plaats deel uit van haar leven doordat ze getrouwd was met een employé van een vliegtuigmaatschappij, Roland Garros. Garros was een neef van de bekende oorlogsheld en vliegpionier die zich vanwege zijn luchtcapriolen de bijnaam ‘cloudkisser’ verwierf, maar nu vooral bekend is vanwege het naar hem vernoemde Parijse tennisstadion en grandslamtennistoernooi. Déze Roland Garros werd uiteindelijk manager bij diverse vestigingen van luchtvaartmaatschappij Air France. Daardoor woonde Majoie in Madagaskar, Congo-Brazzaville, Algerije, Tokio, Istanbul, en verbleef ze enige tijd in ‘Brits-Indië’: het land van haar Indiase voorouders van vaderskant … zoals ze zojuist in de uitzending verteld had. In een klein door Roland Garros zelf gebouwd vliegtuigje, dat de naam kreeg van het Surinaams vogeltje waar Majoie zo dol op was, de grietjebie, maakte het echtpaar lokale tochtjes. In die vreemde landen bestudeerde ze inheemse instrumenten, die ze in haar composities vervlocht.
In de studio herinnerde Majoie de radioluisteraar eraan dat ze ‘heel heel vroeger’ in haar jeugd in Hilversum had gewerkt voor een kinderuitzending. ‘Dat is al zo lang geleden, ik studeerde toen nog op het [Amsterdamsch] conservatorium en ik heb toen ook kinderliederen geschreven;. Achter dit achteloos geformuleerde zinnetje ging een heel verleden schuil. Dat ze zich tijdens de Tweede Wereldoorlog had aangemeld bij de Kultuurkamer en optrad voor de genazificeerde Nederlandsche Omroep en rondtoerde in Duitsland en de bezette gebieden, was haar na de bevrijding in 1945 op de nodige vragen komen te staan. In 1945 kwam er een abrupt einde aan haar podiumcarrière in Nederland. Of deze jeugdzonde pijnlijke herinneringen opriep en hoe ze daarop terugkeek, daarnaar informeerde Ooft niet. Evenmin vroeg hij hoe de optredens van het jonge, bruine zwartharige meisje in goudgeborduurde sari’s zich verhielden tot de verfoelijke rassenleer van de nazi’s. Voor de nazi’s golden blakende en blozende Germaanse jongelingen met blauwe ogen en blonde lokken immers als ideaalbeeld.
Schuchter stelde Benny Ooft in de Hilversumse studio wèl de ‘zeer persoonlijke vraag’: vindt u voor uzelf dat uw carrière geslaagd is?’. Een klein lachje. ‘Ja, dat weet ik ook niet, dat zou ik u pas volgend jaar Pasen kunnen zeggen’, zei ze bescheiden. ‘Slagen is altijd in vergelijking met anderen… of andere mensen geslaagd zijn of niet… Ik bedoel, volgens mij ben ik tevreden… Dat is toch al iets’.
Ze stond in feite op een keerpunt in haar leven. Haar huwelijk met Roland Garros met wie ze twee kinderen kreeg, dochter Sîta en zoon Sébastien, eindigde na een turbulent liefdesleven van twintig jaar in een troosteloze vechtscheiding. Op het moment van het interview in Hilversum in 1972 waren de voorbereidingen voor de scheiding al in volle gang. Want op 11 juli 1972 werd de scheiding uitgesproken, die overigens pas op 10 december 1973 officieel bekrachtigd werd.
Misschien brachten die omstandigheden haar er wel toe zich vast te bijten in het oratorium en het ter hand nemen van haar tweede grote levenswerk: haar opera over de slaventijd La larme d’or die zich afspeelde in het koloniale Suriname tijdens de goudkoorts. Die opera zou haar Da Pinawiekie uiteindelijk in de schaduw stellen. Ze zou welbeschouwd de rest van haar lange leven – ze werd 96 jaar – eraan wijden om haar La larme d’or af te maken, bij te schaven, te arrangeren en uitgevoerd te krijgen.
Ook al was ze inmiddels een echte Parisienne geworden, Suriname was de laatste jaren steeds belangrijker geworden in haar werk, vertrouwde ze de presentator van de Wereldomroep toe. Suriname was haar droomland: de droom van een droom, een vage maar obsessieve herinnering. ‘Wie zijn jeugd doorbracht in Paramaribo, de hoofdstad van Suriname, zal dat niet vergeten. Nooit’, zo verwoordde ze het later hartstochtelijk in de synopsis van haar La larme d’or.
Surinaamse Rapsodie is in Nederland te koop in de Nederlandse boekhandel of via Waanders Uitgevers. In Suriname is het te verkrijgen bij Boekhandel Vaco en Readytex.
Kader 1: Over Ellen de Vries
Ellen de Vries is schrijver en onderzoeker op het gebied van de gedeelde (post-koloniale) geschiedenis van Suriname en Nederland. Ze studeerde sociaal-culturele wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde bij het Instituut voor Cultuur en Geschiedenis aan dezelfde universiteit.
Eerder publiceerde zij: Suriname na de Binnenlandse Oorlog (2005), Nola. Portret van een eigenzinnig kunstenares (2008), Mediastrijd om Suriname. Van mythemakers tot nieuwsverduisteraars (2017), Hans Valk. Over een Nederlandse kolonel en een coup in Suriname (1980) (2021). Ze was medesamensteller en auteur van K’ranti! De Surinaamse pers 1774-2008 (2008) en samensteller van de bundel Nola Hatterman. Geen kunst zonder kunnen (2021)




