Marrons maken geen grappen met de dood
Wanneer de dood aanklopt wordt er geantwoord. Maar hoe? De marrons in Suriname, wiens voorouders in de 17e en 18e eeuw het binnenland invluchten om van de slavernij te ontkomen, hebben na meer de 300 jaren hun tradities rondom de dood niet alleen weten te koesteren, maar ook weten te behouden. In het bewaringsproces hebben zij bij het migreren naar andere gebieden, waaronder Paramaribo, deze tradities en rituelen meegenomen. Is het ze gelukt om de authenticiteit van deze tradities te beschermen tegen de veranderende tijdsgeest?
Tekst: Phylicia Ooiberg
Armand Bannafoo, beter bekend als ‘Mantje’, is een van de Kapiteinen der Saramakaners, van het dorp Bannavoo Konde, gelegen in het district Brokopondo in het Bataliba-gebied. ‘Kapiten Mantje’ woont afwisselend in de stad en in zijn dorp. Hierdoor heeft hij zowel in de stad als in Brokopondo doods- en rouwrituelen meegemaakt. “De rituelen rondom de dood worden op verschillende manieren bepaald”, legt Bannafoo uit. De rituelen of processen rondom de dood worden bepaald aan de hand van het geslacht, de leeftijd en de status van de overledene (of die bijvoorbeeld een kapitein of basja was), maar ook de wijze waarop de persoon is overleden (de doodsoorzaak). Dit kan zijn een natuurlijke dood of ‘ongkoloku dede’, wanneer iemand komt te overlijden door bijvoorbeeld verdrinking of een auto-ongeluk.
Er zijn dorpen waar iemand die ernstig ziek is en waarvan vermoed wordt dat die binnenkort zal sterven, niet meer alleen gelaten wordt. Bij de zieke is er dan altijd iemand aanwezig tot aan het overlijden. Dit is een belangrijk moment. “Bij de Saamaka wordt er geen afscheid meer genomen als de persoon eenmaal is overleden en is opgebaard”, vertelt Noris Bannafoo, het neefje van Kapiten Mantje. Het is één van de verschillen die hij ziet tussen de rituelen in de stad en in het binnenland. “Het opmaken en mooi maken van het lijk, zodat men afscheid kan nemen bij een open kist, heb je niet in de traditionele Saamaka dorpen in het binnenland”, vertelt hij.
Na het overlijden wordt in de dorpen ook niet meteen gezegd of aangegeven dat degene is overleden. Voor dat moment wordt er nog gesproken over een ernstige zieke die ‘slaapt’. Het lichaam van de ‘slapende’ wordt dan gewassen en in een hangmat geplaatst. Dan komen de ouderen of personen uit het dorp die kennis en ervaring hebben met het omgaan met de dode. De ‘slapende’ wordt dan drie keer bij naam genoemd. “Pas als er na de derde keer geen antwoord wordt gegeven, wordt de persoon dood verklaard”, vertelt kapitein Bannafoo. Hiermee wordt de inleiding van de dood en de start van de doodsrituelen aangekondigd. De hangmat waarin het lichaam van de overledene is geplaatst, wordt een voor een aan weerszijde losgemaakt. Het nieuws van het overlijden wordt heel snel bekendgemaakt, niet alleen aan de mensen in het dorp, maar ook aan de omliggende dorpen. “In de stad gebeurt dit middels een telefoontje, maar in het binnenland maakt men gebruik van een bel, een genge”, vertelt Gabriëlla Mina, een 23-jarige Saramakaanse afkomstig uit de ‘Nasi Lo’ (zie kader, red.). Het luiden van de genge wordt door een man gedaan. Bij het horen van de bel verzamelt het hele dorp zich op een centrale plek, waarna het nieuws wordt gedeeld. Hierna wordt de kee wosu, een open zaal of hut dat letterlijk wordt vertaald tot huilhuis, schoongemaakt om het lichaam op te baren. “In de Christelijke dorpen is de kee wosu gesloten”, vertelt Kapitien Bannafoo als voorbeeld van verschillen tussen christelijke en ‘heidense’ dorpen aan de bovenloop van de Surinamerivier. In de stad is er geen kee wosu en wordt de overledene in de koeling geplaatst.
In het dorp worden bananenbladeren geplukt en op de vloer van de hut gelegd. Het lijk wordt in de hangmat verplaatst naar de kee wosu en met de hangmat op de bladeren gelegd. Voor het vervullen van de taken van de doodsrituelen zijn er speciale personen verantwoordelijk namelijk de ‘dede basjas’. Dit zijn zowel mannen als vrouwen. Enkele mannen in het dorp hebben dan als taak een kapotte korjaal te halen en dusdanig te snijden of kappen dat het lijk daarin kan worden geplaatst. Elke overledene krijgt een eigen ‘broko korjaal’ waarin zij worden opgebaard tot het tijd is om begraven te worden. Daarom worden korjalen die niet langer als vervoersmiddel gebruikt kunnen worden nooit weggegooid of vernietigd, maar bewaard voor de doden. “Baka dati dan wo wasi a deden now”. Doormiddel van rituelen worden 1 mannelijk en 1 vrouwelijke dede basja uitgekozen die de overledene zal baden. “Na den 2 sma dati abi a dede”, zegt kapiteitn Bannafoo hierover. Zij hebben dan de leiding en samen met de andere basjas coördineren zij het hele gebeuren. Alles verloopt via hun. Met het wassen van het lijk is de tweede fase afgesloten.
Het volledig artikel lezen? Dit staat in het 233-nummer (2026.1) van Parbode, verkrijgbaar in de winkel (in Suriname). Wilt u digitaal verder lezen? Kijk dan op www.parbode.com/abonneren




