Parbode Xtra: Betere verslaggeving verwacht van media over LGBTQ kwesties
Artikelen in de media bevatten soms taalgebruik die beledigen, vooroordelen en disrespect tegenover de LGBTQ community in de hand werken. Homoseksualiteit wordt door sommige media als een beperking of ziekte gezien. Zo blijkt uit resultaten van een onderzoek dat is gedaan door Sasha Chikhoer en Faranaaz Pahalwankhan binnen het Stand With Us programma met ondersteuning van Stichting Projekta, de Europese Unie en Stichting Parea. Deze resultaten werden op vrijdag 31 januari in het Oxygen Resort aan de media presenteerd. De algehele conclusie is dat de verslaggeving beter kan.
Door Valerie Fris
Een van de doelstellingen van deze presentatie was, om met de media te brainstormen over verbeteringen in de verslaggeving over kwesties die te maken hebben met de LGBTQ gemeenschap. Helaas waren van alle uitgenodigde media slechts zes aanwezig. Twee televisiestations, Parbode en drie (online) nieuwssites, hebben deelgenomen aan de discussies. Op dat moment werd elders door Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. bekendgemaakt dat ze weer obligaties met De Surinaamsche Bank NV zullen uitgeven. Mogelijk zou de matige opkomst daaraan hebben kunnen liggen.
Weerspiegeling
Volgens Sharda Ganga, directeur van Stichting Projekta is de manier waarop media omgaan met LGBTQ-kwesties een weerspiegeling van hoe de Surinaamse samenleving met het onderwerp omgaat. Zij heeft voor zichzelf vastgesteld dat de acceptatie van de groep door de samenleving ver van ideaal is. Dat er weinig animo is vanuit de media voor verslaglegging van de genoemde items is volgens Chikhoer en Pahalwankhan ook te merken aan het feit dat slechts 12,5% van het aantal artikelen dat is gebruikt voor het onderzoek, op eigen initiatief van het medium was. In totaal zijn veertig artikelen die tussen 2011 en 2024 zijn gepubliceerd, gebruikt voor het onderzoek. Het gaat om publicaties van de nieuwssites Waterkant.sr (25%), De Ware Tijd online (22,5%), Dagblad Suriname (17,5%), Starnieuws (12,5%) en Suriname Herald (10%). Bij het onderzoek is gelet op de context, relevantie, juiste bronnen en feiten, taalgebruik en het aanbieden van ondersteuning aan het publiek. Op basis hiervan zijn de onderzoekers tot de conclusie gekomen dat er vooroordelen en beledigingen voorkomen in sommige van de artikelen.
Richtlijnen
Pahalwankhan en Chikhoer besteedden ook aandacht aan de internationale richtlijnen die gelden bij rapportages voor journalisten en mediawerkers over LGBTQ-kwesties. Zo schrijven internationale richtlijnen bijvoorbeeld voor, dat het niet nodig is de seksuele oriëntatie van een persoon te vermelden als het niet relevant is voor het artikel. Een andere richtlijn is dat onder elk artikel over het voornoemd onderwerp de volgende zin moet worden opgenomen: “Indien u zich getroffen voelt door informatie die is gedeeld kunt u contact maken met…”. Deze richtlijn bleek niet bekend onder de aanwezige journalisten. Zij hebben toegegeven dat er inderdaad media zijn die zich schuldig maken aan sensatie maar dat dit niet voor alle mediabedrijven geldt.
Mylene Pocorni, projectcoördinator van de Stichting New Monday die werkt met kwetsbare jongeren, was ook aanwezig bij de presentatie. Zij merkte op dat er inderdaad wat nuance nodig is. “Sommige media besteden gewoon aandacht aan LGBTQ-kwesties en doen dat ook op een correcte manier”. Waar zij bezwaar tegen heeft, is dat sommige media toelaten dat er ongebreideld commentaar door het publiek kan worden gegeven zonder dat men ingrijpt als blijkt dat dit kwetsend of discriminerend is. Pahalwankhan en Chikoer vinden het daarom noodzakelijk dat de bewustwording onder mediawerkers wordt vergroot omtrent het gebruik van terminologie en dat ze hun taalgebruik aanpassen bij de verslaglegging.





