Brandstofsubsidie: regering komt tot bezinning
De onrust rond de brandstofprijzen deze week laat zien hoe gevoelig het onderwerp is. Pomphouders kregen maandagmiddag bericht dat de brandstofprijzen per 5 augustus om 00.00 uur zouden worden verhoogd. Daarmee zou de zogenoemde price cap – het prijsplafond dat sinds maart geldt – worden losgelaten. Een paar uur later volgde echter een tweede bericht: de prijsverhoging ging niet door en de price cap bleef voorlopig van kracht.
De plotselinge koerswijziging leidde tot verwarring bij pomphouders en consumenten. Pas nadat verschillende media berichtten over de voorgenomen prijsverhoging, kwam de regering met een officiële verklaring. Daarin werd bevestigd dat de brandstofprijzen vooralsnog ongewijzigd blijven en dat eerst overleg zal plaatsvinden met maatschappelijke organisaties. Ironische woordkeuze, want de regering hield nog geen 24 uur eerder een persconferentie, waarin werd aangegeven dat de subsidie drukt op de staatskas. Over de afbouw van de subsidie én op welke manier, repte het staatshoofd echter met geen woord. Terwijl het plan duidelijk al in de pijplijn lag.
Dat de subsidieregeling zwaar op de staatsfinanciën drukt is geen nieuws. Parbode berichtte in april reeds over deskundigen die hiervoor waarschuwden. “Bij een prijscap betaalt de overheid het verschil aan de pomp terug. Hoe hoger de wereldolieprijs stijgt, hoe meer die rekening oploopt en op de staatskas drukt”, zei Steven Debipersad, voorzitter van de Vereniging voor Economisten destijds. De staatskas raakt op deze manier snel leeg, ongeacht hoe rijk een land is. Een lage staatskas kan volgens Debipersad leiden tot een verdubbeling van de inflatie en een mogelijke devaluatie van de Surinaamse dollar. “De ervaring in Suriname is dat het niet verstandig is om de prijs van brandstof te subsidiëren.” Brandstof die door onze regering gesubsidieerd wordt, wordt immers ook naar de buurlanden gesmokkeld.
De huidige regeling heeft ook als discussiepunt: de subsidie per oliemaatschappij. Om olie aan de pomp te krijgen, variëren de kosten aanzienlijk voor de verschillende maatschappijen. Het grote verschil ligt bij de olie die in Suriname geproduceerd wordt en wat geïmporteerd is. En dat, terwijl de maximumprijs hetzelfde is voor alle maatschappijen.
Een derde discussiepunt is de vorm van subsidie. Zoals het er nu aan toe gaat, wordt iedereen gesubsidieerd: ook zij die de werkelijke prijs kunnen betalen (denk aan de illegale goudwinning). Daarnaast is smokkel naar het buitenland een groot verlies voor de staat.
Volgens het ministerie van Financiën kost de huidige price cap de overheid ruim SRD 350 miljoen per maand. Daarnaast wordt gesteld dat dit bedrag kan oplopen tot ongeveer SRD 3 miljard wanneer de regeling wordt voortgezet. Onduidelijk blijft echter over welke periode dat laatste bedrag is berekend. Toelichting ontbreekt.
De extra kosten betekenen een jaarlijkse uitgave van miljarden, terwijl er al beperkte financiële ruimte is. Simons zei maandag dat er reeds SRD 1.5 miljard aan derving is (sinds de price cap in maart 2026 werd ingevoerd, red.). Hoewel deze zorg vaker is aangekaart, erkent de president dat een abrupte beëindiging van de cap grote gevolgen kan hebben voor de koopkracht van burgers.
Dat de regering uiteindelijk afzag van de onmiddellijke afschaffing van de price cap lijkt dan ook daar verband mee te houden. Naast de economische, zullen ook maatschappelijke en politieke overwegingen een rol spelen. Een forse stijging van de brandstofprijzen werkt immers vrijwel direct door in transportkosten, voedselprijzen en andere dagelijkse uitgaven.
Eén ding is wel duidelijk: de discussie gaat niet langer over óf de price cap zal verdwijnen, maar vooral over wanneer en hoe dat zal gebeuren. De regering overweegt een gefaseerde afbouw van de regeling. Hoe zo’n afbouw eruit zal zien en wanneer die wordt ingezet, is vooralsnog niet bekend.




