Rehabilitatie Van ‘t Hogerhuysstraat een waar hoofdpijndossier
De kwestie rehabilitatie Van ‘t Hogerhuysstraat is een hoofdpijndossier voor de Overheid. Er lijkt maar geen einde te komen aan de klappen die dit project uitdeelt aan beleidmakers én gebruikers van de weg. Dit project, ter waarde van 23 miljoen US-dollar, is al maanden onderwerp van discussie, dat geleid heeft tot een kruispunt: de staat Suriname moet moeilijke besluiten nemen.
Nog voor het project begon, waren de juridische messen aangescherpt. Want er ontstonden twijfels over de integriteit van de aanbesteding. Nog voordat inhoudelijk hierover werd gesproken, werd het medium Starnieuws voor de rechter gedaagd door oud-minister Riad Nurmohamed van Openbare Werken, voor de stelling dat de bewindsman zou moeten opstappen. De minister kreeg al snel een tweede klap, toen het Openbaar Ministerie besloot zich uit deze zaak te trekken. Nurmohamed moest het alleen aanvechten en haalde uiteindelijk bakzeil.
Ook de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), die het geheel zou financieren, wilde een tweede bidding omdat gevreesd werd dat confidentiële informatie was uitgelekt, waardoor een oneerlijke bevoordeling ontstond voor een der partijen.
De smet op het project was lang niet voorbij. Kort na de tweede bidding ging ondernemer Baitali N.V. in beroep bij de IDB over de gunning aan Kuldipsingh Infra N.V. Het bedrijf Baitali N.V. sprak van een oneerlijke gunning, omdat het als laagste inschrijver – net als bij de eerste keer – toch niet in aanmerking was gekomen voor het project. De criteria voor de gunning zou achteraf zijn aangepast, stelde het bedrijf.
Toen het beroep bij de IDB niet lukte, stapte Baitali N.V. naar de groene tafel. De rechter oordeelde dat het project stopgezet moest worden; alle verweren van de staat Suriname zijn verworpen. Er zou een nieuwe aanbesteding gehouden moeten worden. Hiertegen ging de Staat in beroep. Ook werd een verzoek ingediend om het vonnis te schorsen.
In de tussentijd heeft de machtswisseling in het land plaatsgevonden. Er werd een interim-minister aangewezen op het ministerie van OW: André Misiekaba. Hij besloot het hoger beroep in te trekken. Waar de minister ervan uitging dat er een nieuwe aanbesteding kon worden gehouden om ‘schoon’ te beginnen, bleek die verbeelding van korte duur.
De IDB schreef de regering aan dat een uitvoering van het vonnis, de financiering in gevaar zou brengen. Er is begrip voor het vonnis, maar die zou haaks staan op het contract tussen de bank en de Staat. Er moet dus een keuze gemaakt worden: de Staat geeft gehoor aan het vonnis en verliest de financiering, of de Staat negeert een rechterlijke uitspraak en gaat verder met de gunning aan Kuldipsingh N.V. Alsof dat niet genoeg is, riskeert de Staat een schadeclaim van 10 miljoen US-dollar van Kuldipsingh N.V. als er wijzigingen komen in het project of als men talmt met de uitvoering. Dat is in een clausule van de overeenkomst opgenomen.
De regering moet dus een moeilijk besluit nemen. Het is een van die gevallen waarbij elk besluit als een nederlaag zal aanvoelen. Er is echter geen tijd om hier langdradig mee om te gaan, want duizenden weggebruikers lijden dagelijks schade aan hun voertuigen vanwege de deplorabele staat van de weg. Er zijn onvoldoende eigen middelen om de weg zelf te rehabiliteren.






