Restaurantrecensie: Aan tafel bij…D-Mighty
Op South Square Plaza, op de hoek van de Verlengde Gemenelandsweg met de Riekelaan, bevindt zich sinds vorig jaar het restaurant D-Mighty: een samenvatting van alles wat misgaat in de Surinaamse keuken.
Het concept is, hoewel niet uniek, origineel. Je neemt een bakje, loopt langs het buffet, kiest waar je zin in hebt en betaalt per gewicht: 80 SRD per 100 gram. De keuze is groot en het personeel goedlachs en vriendelijk. Maar daarmee is ook alles gezegd.
Het gebouw op de hoek van de Verlengde Gemenelandsweg en de Riekelaan heeft de afgelopen jaren verschillende horeca-uitbaters zien komen en gaan. Sporen daarvan vinden we terug in het interieur, dat simpel oogt. Zware, ietwat ongemakkelijke, houten stoelen staan rond lage, kale tafels. Op het terras ligt een valse grasmat en worden tafels gescheiden met grote palmen. Kniehoge hekjes moeten een gevoel van privacy geven. In het midden van de ruimte staat een ‘tuintje’ van kamerplanten in bloempotten. Op het paarse plafond is het beroemde schilderij van de Italiaanse artiest Michelango afgebeeld. Net waar de twee vingers elkaar bijna raken, hangt de fan. Aan de muur hangen nummerplaten uit verschillende landen. Ook de gepersonaliseerde nummerplaat van de vorige uitbater, Juicy Steakhouse, hangt er nog tussen. In de hoek wordt er gebarbecued. Het is, al bij al: kitsch.
Ik heb afgesproken met een collega uit Nederland om enkele werkgerelateerde zaken te bespreken. De ligging van D-Mighty leent zich ideaal voor een snelle ‘werklunch’: toegankelijk langs de weg met veel parkeergelegenheid op het aangrenzende South Square Plaza. Bovendien belooft het veelzijdige buffet voor iedereen wat – ook voor mensen wiens voorkeuren je niet kent. We nemen een bakje – plastiek – en gaan in de rij staan. Het opscheppen verloopt soepel en vormt een mooie ijsbreker: ‘het Surinaams eten’ wordt al snel onderwerp van ons gesprek. Bij het opscheppen blijft de lepel in de hand van de bediende, die is voorzien van handschoenen en een haarnet, wat een zekere mate van hygiëne waarborgt. Ondanks haar vriendelijke glimlach weet de bediende niet of de nasi vandaag vlees bevat. Er moet een collega aan te pas komen, en al snel ontstaat er een discussie tussen de twee bedienden, waarvan iemand wel en iemand niet beweert dat er – ‘uitzonderlijk vandaag’ – geen kip in zit. Dat is een probleem voor mijn tafelgenoot, die vegetarisch blijkt te zijn. Ze houdt haar bord twijfelachtig naar voren. Over de hoeveelheid wordt goed afgestemd met onze – alweer lachende – bediende. Ik laat een gala aan gerechten aan me voorbijgaan: van buitenlandse traditionals zoals lasagne, pasta, ‘mac and cheese’, salades en aardappelpuree tot verschillende soorten bami, nasi kip, vis, groenten, pom, saté en mais. Uiteindelijk zet ik mijn zinnen op een ‘echte’ Surinaamse maaltijd: moski alesi, gebakken vis, banaan, snijbonen en pastei.
We zetten onze bakjes op de weegschaal en rekenen af. Onder het schilderij van Michelango moeten we onze maaltijd zelf van peper en/of saus voorzien. Er ligt een pak tissues en plastiek bestek. Vervolgens nemen we plaats op een van de houten stoelen op het terras, waar een frisse wind waait. We kijken uit naar een bediende voor ons drinken, maar worden teleurgesteld. Ook dat moeten we zelf gaan halen bij de bar. Met een plastiek cup punch en een koud flesje water – geen glas, geen ijs – loop ik terug naar onze tafel.
Over de presentatie van het eten valt weinig te zeggen: het eten is in een bakje op elkaar gestapeld. Dat komt nu eenmaal mee met het concept waarvoor is gekozen.
De eerste hap stelt meteen teleur: de vis en groenten zijn veel te zout, de nasi is te vettig, de pastei plakt aan elkaar. Een wat oudere bediende komt langs bij de tafel. Of alles naar wens is? “Het eten is te zout”, zeg ik vergeeflijk. Ze glimlacht. “Ik geef het door aan de keuken.” Ik neem nog een paar flinke happen tegen de honger, maar krijg er al snel spijt van. Op de bodem van mijn bakje glimmen enkele druppels olie. Het duurt niet lang of ik hoor mijn maag rommelen en weet hoe laat het is. Ik klamp een bediende aan. “Waar is het toilet?” Dat blijkt in een ander, aansluitend gebouw gevestigd. Met toegeknepen billen haast ik me de trap af, langs de parking, de trap op, naar achter bij het vrouwentoilet.
Een kwartier later zit ik opgelucht, maar bovenal opgelaten, tegenover mijn Nederlandse collega. Mijn eten raak ik niet meer aan. Bij de uitgang kunnen we ons afval in een zwarte vuilzak kwijt. De zak – er is geen ton – puilt uit van de bakjes. Wel erg gemakkelijk allemaal.
Eten: 1 ster
Service: 2 sterren
Ambiance: 3 sterren
Netheid: 4 sterren
ZOË DECEUNINCK


